voor alle Belgische Herder liefhebbers

Fokkerij en Exterieur

De Oorsprong

 De Oorsprong van de Belgische Herder

De Oorsprong van het Ras of de Blauwdruk gemaakt door Professor Adolphe Reul

Voor de eerste internationale open hondententoonstelling op Belgisch grondgebied te Brussel op 21 juli 1880 ter gelegenheid van het halve eeuwfeest van België, werden 965 honden, voorla jachthonden, ingeschreven. Er waren slechts 7 continentale herdershonden: een groep gevormd door de Duitse, Franse, Belgische, Nederlandse en andere herdershonden. De specifieke kenmerken van deze honden waren nog niet vastgelegd, in tegenstelling tot de rassen voortgebracht in Groot Brittannië: de Bobtail en de Schotse herdershond (Collie), waarvan de standaard duidelijk was omschreven. In die groep telde men 10 inschrijvingen. Men moet weten dat de kynologie in Groot Brittannië reeds veel voorsprong had op deze in de rest van West Europa. De collie was reeds jaren vermeld in de stamboek of Stud Book van de Kennelclub van Engeland, gesticht in 1873, en was eveneens de modehond. Voor de Duitse herdershond was het op 22 april 1899 dat de "Verein für Deutsche Schäferhunde" opgesteld werd.In het geïllustreerde weekblad "Chasse et Pêche" van 15 december 1889, kon men de volgende passage lezen:
"Naar onze wetenschap zijn er slechts twee rassen herdershonden vastgelegd: de Collie en de oude Engelse herdershond zonder staart. Wij kennen in België herdershonden met alle soorten vacht, maar geen enkele club, geen enkele commissie heeft ze ooit gedefinieerd".
Het is daarom dat op het einde van 1891 een groot aantal gepassioneerde amateurs zich te Brussel verzamelden om een manier te zoeken om de inlandse herdershond beter te leren kennen en om beter zijn fysieke en morale kwaliteiten te appreciëren. Bij deze gelegenheid is de "Club du Chien de Berger Belge" geboren op 29 september 1891. De Club had het beschermheerschap gekregen van de Maatschappij St-Hubertus die ontstond op 18 februari 1882 en aan dewelke Leopold II de titel van Koninklijke Maatschappij gaf op 26 september 1886. Sinds zijn intrede op 1 januari 1912 maakt de Koninklijke St-Hubertus deel uit van de Internationale Kynologische Federatie (F.C.I.).Chasse et Pêche is het weekblad aangesteld door de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus en de speciale clubs waaronder de Schipperkesclub (verkleinwoord van het Vlaamse woord schaper of scheper, wat wil zeggen herder). Deze club was de eerste opgericht op het vasteland, nl. op 10 maart 1888 te Brussel.De Club du Chien de Berger Belge liet er geen gras over groeien en onderwierp de staat van zuiverheid van de rassen Belgische herdershonden aan een minutieus onderzoek, met als doel het uitschakelen van twijfelachtige elementen om zodoende op ernstige wijze homogene individuen te fokken waarvan de transcendente kwaliteiten uiteindelijk zouden erfelijk worden. Ze bestudeerden, dank zij de hulp van veeartsen uit het gehele land, die zich bij deze vereniging aangesloten, alle herdershonden met een type. Enkele clubleden hebben een tentoonstelling te Frankfurt bezocht om de Duitse herdershond met de onze te vergelijken.
De honden uit de Brusselse agglomeratie en de provincie Brabant werden op 15 november 1891 verzameld om 10 uur 's morgens in de grote zaal van de kliniek van de Veeartsenijschool te Cureghem. Het was een echt hondenweer die dag, zodat de fotografen niet konden werken, niettemin waren er 117 honden aanwezig. Over deze vergadering schreef L.Vander Snickt, hoofdredacteur van Chasse et Pêche en voormalig directeur van de zoölogische tuinen te Gent en Dusseldorf, het volgende:
"Uit deze studie werd besloten dat er in de provincie Brabant verschillende types herdershonden leefden. De meest verspreidde en geacht als de mooiste is een hond die een gemiddelde schofthoogte van 50 tot 55 cm bereikt; er waren er ook met 62 cm schofthoogte. Zwarte vacht, een slecht gekleurd zwart, met of zonder op de borst, bruine of gele, neerliggende vacht, vaal en ruw, kort op het aangezicht, het voorhoofd en vooraan op de poten en de knieboog, halflang op het lichaam, langer op de hals, de achterste kant van de voorpoten, de buik, het achterste gedeelte van de billen en de onderzijde van de staart. Rechtopstaande oren, goed geplaatst, driehoekig, voorzien van lange beharing aan de binnenkant en op de boord van de oorlellen, kort haar op de buitenkant van de oorlellen. Bruine ogen die geen wit laten zien, breed voorhoofd, eerder plat, onderbreking van de neus minder uitgesproken, smalle muil, grote mond, goed ontwikkelde kaken, de hals is overvloedig voorzien van haar, rechte ruglijn, brede lenden, schuine schouders, nauwe borstkas, dalend en diep, lange staart, hangend bij rust, hoog en gekruld in extreme situaties. De categorie van ruwharige honden verschilt duidelijk van de vorige en is minder homogeen: het haar, verward, is veelal grijs of grijsbruin; het voorhoofd lijkt minder breed; de oren, iets langer maar rechtop gedragen, minder scherp, zijn zeer hoog op het hoofd geplaatst. Dikwijls hebben deze honden slechts een klein stompje staart; moeten wij daarin een familietrek vinden van de Franse Bouvier?
De kortharige elementen zijn minder talrijk; ze hebben meestal de zelfde kenmerken als de halflangharige. De beharing is kort over het gehele lichaam, maar blijft iets langer op die plaatsen waar dat ook het geval is bij de andere; de staart is nog steeds in de vorm van een korenaar, maar dan in een kortere uitvoering".Een groot aantal honden van de andere provincies werd aan huis onderzocht door de afgevaardigden van de Club. Tijdens de algemene bijeenkomst op 2 april 1892 en na de vergelijkende studie uitgewerkt door professor Reul, die zich geïnformeerd had bij verscheidene buitenlandse bronnen en meer bepaald het werk verschenen in 1988 van de hand van de veearts Hugh Dalziel, werd door de Club van de Belgische Herdershonden een standaard van het ras vastgesteld. Het ras werd onderverdeeld in drie variëteiten; de langharige, de kortharige en de ruwharige zonder rekening te houden met de kleur van de vacht. De zelfde onderverdeling bestaat of bestond in het prestigieuze ras van de Collies. In dat ras, zoals in vele andere, kan men variëteiten opmerken met lang, kort en ruw haar die zo goed op elkaar lijken dat men noodzakelijkerwijs tot het besluit moet komen dat ze eenvoudigweg varianten zijn van het zelfde type.

De  kleuren zijn zeer gevarieerd; naast een zeker aantal zwarte elementen, treft men ook grijze, vaalrode en gestroomde aan. Er is geen enkel wit exemplaar, wat in die periode wel het geval was voor de herdershonden van andere landen. Genetisch gesproken komt de gen wit niet meer voor in de chromosomenformule van de Belgische Herdershond. In het tijdschrift L'Eleveur van 19 oktober 1913, bevestigt Pierre Megnin dat er veel witte honden waren onder de eerste Duitse herdershonden.De Belgische Herdershond is een ras waarvan de verschillende lichaamsdelen in verhouding evenwichtig zijn. Het lichaam is goed gebouwd, goed gestroomlijnd en evenwichtig. Het dier heeft stijl, type en voornaamheid. Het blijft een ras van renners. De vormen van de spieren en de beenderen lenen zich tot een grote beweeglijkheid, een grote afstotingskracht en een vlugge startsnelheid, die ongewoon is bij getemde hondachtigen. Het is een vierkante hond, m.a.w. zijn schofthoogte is gelijk aan zijn lengte, daar waar de Duitse herdershond langer dan hoog is. Onder de hoogte verstaan we de verticale afstand tussen de top van de schoft tot grond. De lengte wordt vanaf het uiterste van de schouder tot het uiterste van de dij gemeten. Deze afstand moet gelijk zijn aan de schofthoogte, die 2½ hoofden meet. Dezelfde verhouding vindt men langs geometrische weg aan de hand van wat de Duitsers de gouden snit noemen. Volgens Martin Wilckens (Wenen 1878), die de toepassing van de methode verbreed heeft tot de studie van al onze belangrijkste getemde zoogdieren.Wanneer men deze rechte, die gelijk is aan lengte van de taille tot de schoft, ook de fundamentele lijn genoemd, verdeeld in een groot en een klein stuk, geeft het eerste de hoogte van de hoek van de schouder en het laatste dient als maat voor de lengte van het hoofd.
Maar de opeengehoopte of verlengde vormen vinden hun maat niet alleen in de onderlinge verhouding met de taille, maar ook in de verhouding van deze lengte en de omtrek van de borstkas. Hoe korter het lichaam is voor een gegeven omtrek, hoe meer de hond opeengehoopt is in zijn vormen. Het is daarom dat de teefjes soms langer lijken en minder opeengehoopt dan de reuen, want voor een zelfde lichaamslengte is de omtrek van de borstkas iets kleiner bij de teefjes. De rechte rug is een uitwendig teken van mooie rug- en lendenwelving die een grote kracht vergt. De borst, lang en diep, die bij het onderste deel dezelfde hoogte heeft als de elleboog, vormt een ruime borstkas, noodzakelijk voor een goede ventilatie van de longen die onmisbaar was voor het harde werk bij de kudde. Ze geven aan de lucht een minimum weerstand. Het hoofd is niet in de lengte gebouwd, het is verlengd door de leefwijze die snelheid noodzaakt. De oren zijn rechtopstaand, behaard, kort en gemiddeld. Het oor beschrijft een sterke hoek op de top. De korte oren doen het hoofd licht lijken, de gelaatsuitdrukking is meer wakker, meer expressief. Hij heeft een fijne muil, zonder hanglippen, m.a.w., de lippen passen in elkaar. De grote muil is typisch voor de Belgische Herdershond: wanneer hij de muil opnet, verwijden de kaken zich nog meer en de punten waar de lippen samenkomen zijn meer naar achter gelegen dan bij andere herdershonden. Daar waar de Duitse en Hollandse herdershonden een schaargebit moeten hebben, is voor de Belgische Herdershonden een tanggebit toegelaten. Dit is een kenmerk dat men ook bij andere Belgische rassen aantreft, zoals het Schipperke en de Vlaamse Bouvier.We kunnen ook de aanwezigheid van een ondervacht opmerken, het dons, dat beschermt tegen de koude, en een bovenvacht, die beschermt tegen de regen.
Het is in deze onderverdeling van lang-, kort- en ruwharige dat de Belgische Herdershonden verschenen op de tentoonstelling tot 12 maart 1898. Men nam nog geen standpunt in wat de kleuren betreft. Op zondag 25 oktober 1896 werden een veertigtal Belgische Herdershonden verzameld als zijnde de besten van hun ras, waarvan ze getrouw de typische kenmerken bezaten. Twee goed vertegenwoordigde families en behoorlijk gekenmerkt, trokken special de aandacht van het publiek; het waren deze van de Picard, van M.N.Rose uit Groenendaal en deze van de Pouts van M.J.B.Janssen uit Laeken. De afstammelingen van Picard zijn mooie honden met een lange zwarte vacht; deze van Pouts hebben een goudgele ruwe vacht. Onder de kortharige bemerkte men Samlo van M.P.Beernaert en Mouche van Mevr. Duchenoy. Na deze samenkomst, die als doel g=had het bestaan van de drie variëteiten te bevestigen voor een commissie (waarvan professor A.Reul deel uit maakte) aangesteld door de Koninklijke Maatschappij St-Hubertus om het recht te bekomen de Belgische Herdershonden in te schrijven in het stamboek, werd er bijna afgezien van de categorie van de kortharige omdat ze ontbrak aan stijl en vooral aan éénvormigheid. Tijdens de volgende bijeenkomst, nam professor A.Reul de verdediging van deze categorie honden op zich, hij herinnerde zich de volmaakte esthetiek, de levendige intelligentie en het opmerkelijke reukvermogen.Het is rond deze periode (1897-1898), dat men eiste dat de Belgische Herdershond een volledige staart had, die laag gedragen werd. Er werd beslist dat in de toekomst, Belgische Herdershonden zonder staart niet meer aanvaard werden op tentoonstellingen, omdat de staart op zichzelf een versiering is die bijdraagt tot de elegantie in de tred en het gemak "van kop tot teen" die een bewaker van schapen duizend maal op een dag moet uitvoeren. De staart is niet enkel een versiering, het is ook een bescherming voor de geslachtorganen en de anus. In rust houdt de hond de staart laag, het uiteinde is naar voor gekruld. In actie is de staart opgeheven en het uiteinde is sterk gekruld.

Op 12 maart 1898 ter gelegenheid van de tentoonstelling van de Schipperkes Club, ziet het publiek voor de eerste maal klassen van zwarte langharige Belgische Herdershonden afzonderlijk voorgesteld, zonder anderskleurige langharige Belgische Herdershonden. De club gaf hun de naam "Groenendaels". Het is slechts vanaf half 1909 dat de namen "Groenendael" en "Mechelaar" gebruikt zullen worden in de officiële catalogus. De groep van zwarte Groenendaels gaf een theatraal effect op de banken van de tentoonstelling. De reuen en teven hebben het publiek getroffen door hun familieverbintenis en hun éénvormigheid in stijl. Het vormen van een éénkleurige groep, zoals M.L. Vander Snickt het aanprijsde, zou een formule van succes blijken, waarvan het principe de Club op de weg zou zetten voor het kiezen van een specifieke kleur voor elk haartype. Bij de andere langharige daarentegen, was de waardering van professor A.Reul niet vleiend en werd in deze termen samengevat: "Deze klasse is zo gebrekkig als talrijk".Voor 1898, begon de Club in de war te geraken, alle gevoel van oriëntatie was verloren en er werd een crisisperiode doorgemaakt. Zie hier de mening van professor A.Reul, verschenen in van 28 april 1901, ter gelegenheid van de speciale tentoonstelling van 21 april 1901 en georganiseerd als herdenking van het tienjarige bestaan van de Club du Chien de Berger Belge. De eerste prijzen werden behaald door de zwarte langhaar Dax (kleinzoon van Picard d'Uccle en Petite), Pek Swet (waardevolle reu maar van een andere oorsprong dan Picard d'Uccle en Duc de Groenendael) en Baronie, voor de kortharige door Tjop, Vos (vader van Dewet) en Cora I, voor de ruwharige door Bazoef, Rita en Mira"De hoofdreden van de nutteloosheid van de inspanningen waren makkelijk te begrijpen; op elke tentoonstellingen verscheen een nieuwe keurmeester, gewapend met een volmacht, de vorige had opgehouden te behagen, want men was vlug opgebruikt en buiten omloop gesteld. Het was zelfs ontmoedigend voor de meest vastberaden exposanten en het maakte de meest geharde fokkers gek. Want in de kern van de Club volgden de ontslagen, de ontslagen op en ik maakte daar deel van uit. Kortom eindigde waar men had moeten beginnen: men stelde één enkele keurmeester aan, gekozen buiten de Club; men gaf hem een groot aantal volmachten en de bevoegdheid om de tentoongestelde honden te klasseren gedurende een voldoende aantal jaren om onbetwistbaar de types vast te leggen. Ik heb de eer gehad die ondankbare rol te vervullen en de honden te beoordelen volgens een gedragslijn "ne varietur" die op voorhand was vastgesteld aan de hand van de kennis en het respect voor de punten van de standaard".Gedurende de jaren 1898, 1899 en 1990 verrichtte professor A.Reul de dienst als enige keurmeester voor de Belgische Herdershonden. Als echte kleine kunstwerkjes, wezen zijn aanmerkingen op een reëel schrijverstalent met een beknopte maar beschrijvende stijl. Zelfs wetende, dat de professor A.Reul een voorstander was van inteelt, ging hij verder in deze termen:

"De vooruitgang gerealiseerd gedurende deze laatste jaren is werkelijk buitengewoon. Zodanig zelfs dat de zondagse tentoonstelling een dergelijk succes had dat men betreurde er s'anderdaags geen te vinden om de tentoongestelde groepen met hun uitstekende karakter, en zo goed verdeeld in drie klassen: de vaalrode kortharige, de zwarte langharige en de asgrijze ruwharige, in de schittering van hun pracht te kunnen terug zien en bewonderen. Maar we zouden dit nog niet bereikt hebben in zo een korte tijdspanne, indien we de bloedverwante selectie niet hadden doorgevoerd, indien de fokkers gevreesd hadden hun operaties te baseren op incest. Uiterst immoreel in de antropologie, de "breading in and in" tussen fysisch gezonde en moreel talentvolle bloedverwanten, levert de meest opmerkelijke resultaten op gebied van zoötechniek".
Het is door de zuivere selectie dat men in België, de verschillende variëteiten van de herdershond opnieuw heeft samengesteld. Het proces bestaat in het kiezen, uit de massa, van individuen die in de uiterste mate, voordelige bijzonderheden bezitten en deze individuen te verzamelen onder verwanten, m.a.w. door het samenbrengen van bloedverwanten gecombineerd van generatie tot generatie.
Deze methode, gebruikt door de zoötechnicus, is de oorsprong van Het grootste deel van paarde-, runder-, varkens-, honden-, hoender-, duive- en andere rassen. De inteelt verzekert de vlugge vastlegging van de karakters. De inteelt brengt het goede als het slechte naar voor. Het is een tweesnijdend mes. Het geheel hangt af van het beginpunt. Wanneer men twee verwanten (b.v. broer en zus) van goede oorsprong, goed gevormd, volledig fysisch en psychisch gezond, kruist, dan zal het resultaat een gezonde en krachtige nakomeling zijn. Wanneer in tegendeel, men twee individuen van slechte samenstelling bijeen brengt, twee zwakkelingen, kan het op een teleurstelling uitlopen.
Op dezelfde manier dat ze de kwaliteiten benadrukt, verergert de methode de gebreken. Fokdieren van het zelfde bloed, gezond en goed volgens het uiterlijk, kunnen dragers zijn van een fout, een onzichtbaar gebrek dat zich gaat uitten bij hun nakomelingen. Men beschuldigt de inteelt van het doen ontstaan van dit gebrek. Waarschijnlijk is het door het effect van het mechanisme dat ze is verschenen, maar ze is niet gemaakt, het heeft ze slechts doen actualiseren. Dit onderscheid is essentieel. Wanneer de keus van de bloedverwante fokdieren rust op volledig gezonde dieren, zal inteelt geen schadelijke gevolgen hebben. Wanneer in tegenstelling, de fokdieren aangetast zijn door slechts een uiterst klein gebrek, zal deze zich aanzienlijk versterken bij hun nakomelingen. Dit verklaart de uiteenlopende opinies over inteelt. Praktisch gezien mag deze methode enkel bij volledig gezonde dieren worden toegepast. Eén nadeel op te merken en met reden, en op de methode zelf, is de vermindering van de vruchtbaarheid die zich voordoet wanneer de inteelt zeer nauw is en wanneer de inteelt verlengd is gedurende meerdere generaties. Bij de herdershond, heeft de inteelt enkele kwaliteiten ontwikkeld die niet natuurlijk zijn, zoals bijvoorbeeld het rond de kudde draaien, het verbieden aan de schapen om de oogst aan te raken, te bijten of niet te bijten, naargelang de omstandigheden, om te vechten als verdediging van een schaap of zijn meester.

Interessant is de notitie van de uitgever van het boek over de natuurlijke geschiedenis van België door M.Julien Deby (1848):
"Wij denken hier een feit te moeten vermelden dat voortdurend naar voren wordt gebracht, dat klaarheid kan brengen over de vorming van hondenrassen. Laat een teefje van eender welk ras (mits de grootte de paring mogelijk maakt) dekken door een Newfoundlander, zuiver van ras. Neem uit elke dracht het teefje die het meest op de vader lijkt en laat haar door hem dekken; bij de vijfde dracht heeft men zuivere Newfoundlanders, zo zuiver dat noch voor de tanden, noch voor het achterhoofdsbeen, noch voor de membranen van de tenen, er geen enkel aanvaardbaar verschil bestaat tussen de oorspronkelijke hond en zijn nakomeling. Dit is geen eenmalige ervaring; het is een gekend en gebruikt proces van alle tijden door de handelaars in honden, om dure specimen te vermenigvuldigen waarvan ze slechts één individu hebben; met geduld eindigen ze altijd de twee te hebben en ze nadien te vermenigvuldigen.
Deze ervaring werkt eveneens in vijf generaties wanneer men werkt langs de moederlijn door het kiezen van de reuen voor het dekken van het teefje waarvan men zuiver ras wil." In het maken van hondenrassen, heeft de inteelt een doorslaggevende rol gespeeld. Voor de rassen echter die het toppunt van zoötechnische perfectie hadden bereikt, werd de inteelt schadelijk. De meest nauwe inteelt dat redelijkerwijze door de fokkers mag worden toegepast is de 3-2 of de 2-3 (ouders1, grootouders2, overgrootouders 3, overovergroot ouders4) Zo betekent 2-3 dat de gemeenschappelijk voorouder de grootvader is langs vaders kant en de overgrootvader langs moeders kant. 3-2 betekent dat de gemeenschappelijk voorouder de overgrootvader langs vaders zijde is en de grootvader langs moeders zijde. De 2-2 is een uiterst nauwe inteelt, de breedste, de 5-5, is het andere uiterste want vanaf de zesde generatie is het niet meer de gewoonte rekening te houden met de inteelt. De selectie in gebruiksrassen is redelijk wanneer ze tezelfdertijd werkt langs de buitenkant en naar het rendement. De echte goede hond is diegene die, door zijn uiterlijk voldoet aan de vereisten van de standaard en die, tezelfdertijd, uitmunt in het praktische werk.

Als plebejische hond met hard proletariërs werken door zijn oorsprong t.o.v. de aristocratische Collies, Barzois en andere jachthonden, heeft de Belgische Herdershond meerdere jaren nodig gehad om de letters van adel te machtigen.
Het is slechts na een relatief lange periode, meer precies in 1901, dat de eerste Belgische Herdershonden in het Stamboek van St-Hubertus (L.O.S.H.) worden opgenomen. De eerste, ingeschreven onder het nummer 5847, is Vos vaalrode korthaar met een zwart masker, geboren in 1897 van J.van Haesendonck, Arendstraat 33 te Antwerpen. Vos is de vader van Dewet één van de pijlers van de Mechelaars. Men kan opmerken dat bijna alle edele dierrassen, met de meeste éénvormigheid, gecreëerd werden door één enkele man of onder het bestuur van één enkele liefhebber. De creatie van het ras van de Belgische Herdershonden kon geen uitzondering maken op de algemene regel. Deze man, was professor Adolphe Reul. Hij tekende met meesterlijke hand een beschrijvend portret van de Belgische Herdershonden door het uitwerken van een psychologische standaard, m.a.w., waar elke karaktertrek wordt verklaard door de leefwijze en de oorsprong van het ras. 
 
 
 

Rasstandaard

groenendaeler1De Rasstandaard

Land van Herkomst: België
Publicatiedatum van geldige originele standaard: 13.03.2001
Gebruik: Oorspronkelijk een herdershond, nu een gebruiks- (waken, verdedigen, speuren, enz.) en veelzijdig diensthond, evenals gezinshond.
Groepsindeling F.C.I. Groep1: Herders en veedrijvershonden (uitgezonderd Zwitserse veedrijvershonden)
Sectie 1: Herdershonden met werkproef

laekense1Korte Geschiedenis van het ras:
Op het einde van de jaren 80 waren er in België een groot aantal honden die de kudden dreven. Het type was heterogeen en de vachten uiterst verscheiden. Met het doel wat orde op zaken te stellen vormden enkele gedreven hondenliefhebbers een groep. Ze lieten zich adviseren door Professor A.Reul van de veeartsenijschool te Creghem, die mag worden beschouwd als de echte pionier en grondlegger van het ras.
Het ras is officieel ontstaan tussen 1891 en 1897. Op 29 september 1891 werd te Brussel de "Club du Chien de Berger Belge" opgericht en op 15 november van hetzelfde jaar organiseerde Prof. A. Reul een bijeenkomst in Cureghem van 117 honden, wat toeliet om het bestand te tellen en de beste exemplaren te selecteren. De daaropvolgende jaren werd begonnen met een echte fokselectie, door toepassen van extreem dichte inteelt op enkele dekreuen.
mechelse1Op 3 april 1892 werd door de "Club du Chien de Berger Belge" reeds een eerste, erg gedetailleerde ras standaard opgesteld. Eén enkel ras was toegelaten, met drie haarvariëteiten. Nochtans, zoals men destijds zei, was de Belgische Herder maar een hond van 'de kleine luiden', een ras dus dat nog prestige miste. Dit had als gevolg dat slechts in 1901 de eerste Belgische Herders in het stamboek van de Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus (L.O.S.H.) werden ingeschreven.
In de loop van de jaren die volgden namen de bestuurders van de herdershondenliefhebberij vastberaden de taak op zich om eenheid te brengen in het type en om de fouten te verbeteren. Men mag stellen dat reeds rond 1910 het type en het karakter van de Belgische herder vastlagen. In de loop van de geschiedenis van het ras heeft het probleem van de verschillende variëteiten en de toegelaten kleuren aanleiding gegeven tot veel controversen. In tegenstelling hiermede zijn er echter nooit meningsverschillen geweest met betrekking tot de lichaamsbouw van de Belgische Herder, zijn karakter en zijn werkaanleg.

tervuerense1Algemeen Voorkomen:
De Belgische Herder is een middellijnige hond, met harmonische verhoudingen, die elegantie paart aan kracht. Hij is middelgroot, droog en sterk bespierd, inschrijfbaar in een vierkant, rustiek, gewend aan het openluchtleven en gebouwd om te weerstaan aan de zo frequente weersveranderingen van het Belgische klimaat. Door de harmonie van zijn bouw en zijn fier gedragen hoofd moet de Belgische Herder de indruk geven van sierlijke kracht, hetgeen het erfdeel is geworden van de geselecteerde vertegenwoordigers van het werkhondenras. De Belgische Herder zal in stand in zijn natuurlijke houding gekeurd worden, zonder fysiek contact met de voorbrenger.

Belangrijke verhoudingen:
De Belgische Herdershond is inschrijfbaar in een vierkant. De borstdiepte komt tot aan de ellebooghoogte. De snuitlengte is gelijk aan of iets meer dan de helft van de hoofdlengte.

Gedrag / Karakter:
De Belgische Herder is een waakzame en actieve hond, bruisend van vitaliteit en altijd bereid om tot actie over te gaan. Aan zijn aangeboren geschiktheid als bewaker van de kudden paart hij de kostbare goede eigenschappen van de allerbeste waakhond voor huis en erf. Hij is, zonder de minste aarzeling, de hardnekkige en vurige verdediger van zijn meester. Hij verenigt in zich alle vereiste kwaliteiten om een herders-, waak-, verdedigings- en diensthond te zijn. Zijn levendig en alert temperament en zijn zelfverzekerd karakter, zonder ook maar enige vrees of agressiviteit, moeten blijken uit de houding van zijn lichaam en de fiere en opmerkzame uitdrukking van zijn fonkelende ogen. Tijdens het keuren zal men rekening houden met een 'rustig' en 'onverschrokken' karakter.

Hoofd:
Hoog gedragen, lang zonder overdrijving, rechtlijnig, goed gebeiteld en droog. De schedel en de snuit zijn ongeveer even lang, met ten hoogste een klein verschil ten voordele van de snuitlengte, wat geheel de indruk geeft van een volmaakte afwerking.

Schedelgedeelte:
Middelmatig breed, in verhouding tot de lengte van het hoofd, het voorhoofd eerder afgeplat dan rond, de voorhoofdsgroef weinig afgetekend, van opzij gezien evenwijdig aan de denkbeeldige lijn die de neusrug verlengt, achterhoofdskam weinig ontwikkeld, wenkbrauw- en jukbeenbogen niet uitstekend.

Stop: Matig

Neus: Zwart

Snuitgedeelte:
Snuit: middelmatig lang en goed gebeiteld onder de ogen, geleidelijk naar de neus toe versmallend, in de vorm van een langwerpige wig, neusrug recht en evenwijdig aan de verlengde bovenlijn van het voorhoofd, goed gespleten bek, wat betekent dat bij geopende bek, met de kaken wijd uit elkaar, de mondhoeken sterk naar achteren zijn getrokken.

Lippen:
Dun, goed aangesloten en sterk gepigmenteerd.

Kaken/gebit:
sterke en witte tanden, regelmatig en stevig ingeplant in goed ontwikkelde kaakbeenderen. 'Schaargebit', het 'tanggebit', waaraan de voorkeur wordt gegeven door schaapherders en veedrijvers, wordt getolereerd. Volledig gebit, beantwoordend aan de tandformule, het ontbreken van twee premolaren (2 P1) wordt geduld en de molaren 3 (M3) worden niet in aanmerking genomen.

Wangen:
Droog en goed valk, maar wel gespierd.

Ogen:
Middelmatig groot, noch uitpuilend, noch diepliggend, licht amandelvormig, schuin, bruinachtig, liefst donker, oogranden zwart, de blik is direct, levendig, intelligent en vragend.

Oren:
Eerder klein, hoog aangezet, duidelijk driehoekig uitzien, oorschelpen goed afgerond, de uiteinden puntig, strak, rechtopstaand en verticaal gedragen wanneer de hond aandachtig is.

Hals:
Goed uitkomend, iets lang, tamelijk opgericht, goed gespierd, naar de schouders toe geleidelijk breder wordend en zonder keelwammen, de nek licht gewelfd.

Romp:
Krachtig zonder plompheid, de lengte, vanaf het boegpunt tot aan het zitbeenpunt, is ongeveer gelijk aan de schothoogte.

Bovenbelijning:
De belijning van de rug en de lendenen verloopt recht.

Schoft:
Afgetekend.

Rug:
Vast, kort en goed gespierd.

Lendenen:
Stevig, kort, voldoende breed, goed gespierd.

Kruis:
Goed gespierd, slechts zeer licht hellend, voldoende breed, maar zonder overdrijving.

Borst:
Weinig breed, maar goed diep, bovenzijde van ribben gewelfd, voorborst van voren gezien weinig breed, maar ook niet smal

Onderbelijning:
Begint onderaan de borst en stijgt licht in een harmonische curve naar de buik toe, die noch afhangend, noch windhondachtig mag zijn, maar licht opgetrokken en matig ontwikkeld.

Staart:
Goed ingeplant, met krachtige aanzet, middellang, minstens tot aan de sprong doch bij voorkeur verder reikend, in rust hangend gedragen, het uiteinde ter hoogte van de sprongen licht naar achteren gebogen, in actie meer opgeheven, doch niet hoger dan horizontaal gedragen, met de buiging naar de staartpunt toe meer uitgesproken, doch zonder ooit een haak of een afbuiging te vormen.

Voorste Ledematen:
Totaalbeeld:
Beendergestel stevig, maar niet zwaar, spierstelsel droog en sterk, de voorbenen zijn van alle zijden gezien loodrecht en van voren gezien volkomen parallel.
Schouders:
Het schouderblad is lang en schuin, goed aanliggend, met het opperarmbeen een voldoende hoek vormend, die in het ideale geval 100-115° bedraagt.
Opperarm:
Lang en voldoende schuin.
Elleboog:
Vast, noch afstaand, noch aangedrukt
Onderarm:
Lang en recht
Pols:
Zeer stevig en effen
Voormiddenvoeten:
Sterk en kort zoveel mogelijk loodrecht op de grond of slechts zeer weinig naar voren hellend
Voorvoeten:
Rond, kattenvoeten, tenen gebogen en goed gesloten, voetzolen dik en elastisch, nagels donker en dik.

Achterste ledematen:
Totaalbeeld:
Krachtig, maar niet zwaar; van opzij is de stand van de achterste ledematen loodrecht en gezien van achteren volkomen parallel
Dij:
Gemiddels lang, breed en sterk gespierd.
Knie:
Bevindt zich ongeveer loodrecht onder de heup; kniehoeking normaal.
Onderschenkel:
Gemiddeld lang, breed en gespierd.
Sprong:
Laag bij de grond, breed en gespierd; matig gehoekt.
Achtermiddenvoeten:
Stevig en kort; wolfsklauwen niet gewenst.
Achtervoeten:
Mogen licht ovaal zijn; tenen gebogen en goed gesloten; voetzolen dik en elastisch; nagels donker en dik
Gangwerk:
De beweging is bij alle gangvormen levendig en vrij; de Belgische Herder is een goede galopeur, maar de gewone gangen zijn de stap en vooral de draf; de ledematen bewegen evenwijdig aan het mediaanvlak van het lichaam (recht gaand). Bij hoge snelheid komen de voeten dichter bij het mediaanvlak; bij het draven is de tredwijdte gemiddeld, de beweging regelmatig en vlot, met een goede stuwing van de achterste ledematen, waarbij de bovenbelijning goed strak blijft en zonder dat de voorbenen te hoog worden opgeheven. De Belgische Herder is voortdurend in beweging en lijkt onvermoeibaar; zijn gang is snel, elastisch en levendig. Hij is in staat om in volle snelheid plots van richting te veranderen (is 'wendbaar'); door zijn uitbundig temperament en zijn drang om te waken en te beschermen, heeft hij een uitgesproken neiging om in cirkels te bewegen.
Huid:
Elastisch, maar over het hele lichaam goed en strak; randen van lippen en oogleden sterk gepigmenteerd.

Vacht en Variëteiten:
Daar de beharing bij de Belgische herdershonden verschilt in lengte, aanblik en kleur, werd dit als criterium gekozen om een onderscheid te maken tussen de vier rasvariëteiten: de Groenendaeler, de Tervuerense herder, de Mechelaar of Mechelse herder en Laekense herder.
Deze vier variëteiten worden afzonderlijk gekeurd en iedere variëteit afzonderlijk kan een voorstel krijgen voor een C.A.C, een C.A.C.I.B. of reserves.
Vachtsoorten:
Bij alle variëteiten moet de beharing altijd dicht zijn, goed aanliggend, van een goede textuur en samen met de wollige ondervacht een uitstekende beschutting vormen.
LANGHAAR:
Het haar kort op het hoofd, aan de buitenkant van de oren en het onderste van de ledematen, behalve aan de achterzijde van de onderarm, die van aan de elleboog tot aan de pols bedekt is met lange haren, die 'franjes' worden genoemd. Het haar is lang en vlak aanliggend over de rest van het lichaam en langer en overvloedig rond de hals en op de voorborst, waar het een 'halskraag' en een 'borstveer' of 'bef' vormt. De opening van de gehoorgang is beschermd door dichte haren. Vanaf de ooraanzet zijn de haren opstaand en vormen een omlijsting van het hoofd. De achterzijde van de dijen is bekleed met zeer lang en overvloedig haar, dat de 'broek' vormt. De staart is bedekt met lang en overvloedig haar dat een 'veer' of 'pluim ' vormt.
De Groenendaeler en de Tervuerense zijn de langharigen.
KORTHAAR:
Het haar zeer kort op het hoofd, aan de buitenkant van de oren en het onderste van de ledematen. Het is kort op de rest van het lichaam en voller aan de staart en rond de hals, waar het een halskraag vormt, die begint aan de ooraanzet en dooraanzet en doorloopt tot de keel. Bovendien is de achterzijde van de dijen met langere haren bevederd. De staart lijkt op een korenaar maar vormt geen staartveer.
De Mechelaar is de kortharige.
RUWHAAR:
Hetgeen de ruwharige vooral kenmerkt is de ruwheid en de droogheid van het haar, dat bovendien krassend is en warrelig. De haarlengte is ongeveer 6 cm en over het hele lichaam gelijk, maar wel korter op de neusrug, het voorhoofd en de ledematen. Noch de haren rond de ogen, noch de haren die de voorsnuit bedekken mogen zo uitgegroeid zijn dat ze de vorm van het hoofd verbergen. De snuitgarnituur nochtans is verplicht. De staart mag geen veer vormen.
De Laekense herder is de ruwharige.

Vachtkleuren
Masker:
Bij de Tervuerense en de Mechelse herders moet het masker zeer goed geprononceerd zijn en de neiging hebben de boven- en de onderlippen, de mondhoeken en de oogleden te omvatten in één enkele zwarte zone. Voor het masker wordt een strikt minimum van acht zichtbare pigmentatiepunten bepaald: de beide oren, de beide bovenste oogleden en de beide boven- en onderlippen, die zwart moeten zijn.
Zwart-gevlamd (charbonné): Bij de Tervuerense en de Mechelse herders betekent zwart-gevlamd dat er haren zijn met zwarte uiteinden, waardoor de grondkleur wordt beschaduwd. Dit zwart is in ieder geval 'gevlamd' en mag zich noch als grote platen, noch als echte strepen (stroming) vertonen. Bij de Laekense herder komt het zwart-gevlamd onopvallender tot uiting.
Groenendaeler:
Uitsluitend eenkleurig zwart.
Tervuerense herder:
Uitsluitend zwart-gevlamd vaalros (fauve-charbonné) en zwart-gevlamd grijs (gris-charbonné), met zwart masker; de zwart-gevlamde vaalrosse kleur blijft nochtans de voorkeur hebben. Het vaalros (fauve) moet warm zijn, noch licht, noch uitgewassen. Een hond wiens vachtkleur anders is dan zwart-gevlamd vaalros of niet de gewenst intensiteit vertoont, kan niet beschouwd worden als een elitehond.
Mechelaar:
Uitsluitend zwart-gevlamd vaalros (fauve-charbonné), met zwart masker
Laekense herder:
Uitsluitend vaalros (fauve), met sporen van zwart-gevlamd (charbonné), voornamelijk op de voorsnuit en de staart.

Alle variëteiten:
Een weinig wit op de voorborst en de tenen wordt geduld.

Grootte, gewicht en maten
Schofthoogte:
De gewenste hoogte is gemiddeld
- 62 cm voor de reuen,
- 58 cm voor de teven.
Grenzen: naar beneden 2 cm, naar boven 4 cm.
Gewicht:
- reuen ongeveer 25 - 30 kg,
- teven ongeveer 20 - 25 kg.
Lichaamsmaten:
Normale gemiddelde maten bij een Belgische Herder reu die een schofthoogte heeft van 62 cm:
- Lichaamslengte (vanaf het boogpunt tot aan het zitbeen): 62 cm.
- Hoofdlengte: 25 cm.
- Snuitlengte: 12,5 à 13 cm.

Fouten:
Elke afwijking van het bovengenoemde moet als een fout beschouwd worden, die bestraft wordt naargelang de ernst ervan.

Algemeen voorkomen:
Plomp, zonder elegantie; te licht of te tenger; langer dan hoog, inschrijfbaar in een rechthoek.
Hoofd:
Zwaar, te krachtig, zonder parallellisme, onvoldoende gebeiteld of droog; voorhoofd te rond; stop te uitgesproken of te vlak, snuit te kort of geknepen, ramsneus, wenkbrauw of jukbeenbogen te uitstekend, Neusspiegel, lippen, oogleden: sporen van pigmentverlies.
Gebit:
Onregelmatige inplanting van snijtanden. Zware Fout: het ontbreken van één snijtand (1 I), één premolaar 2 (1 P2), één premolaar 3 (1 P3), of van drie premolaren 1 (3 P1).
Ogen:
Licht, rond
Oren:
Groot, lang, te brede aanzet, laag ingeplant, divergent of convergent.
Hals:
Tenger; kort of diepliggend.
Romp:
Te gestrekt; borstkas te breed (cilindrisch).
Schoft:
Vlak, laag
Bovenbelijning:
Rug en/of lendenen lang, zwak, doorgezakt of gewelfd.
Kruis:
Te hellend, overbouwd
Onderbelijning:
Te diep of te ondiep; te veel buik.
Staart:
Te lage aanzet; te hoog gedragen, een haak vormend, afbuigend.
Ledematen:
Te licht of te zwaar van bot; slechte standen gezien van opzij (bv. te schuine voormiddenvoeten of zwakke polsen), van voren (bv. naar binnen of naar buiten gekeerde voetstand, uitgedraaide ellebogen, enz.) of van achteren (bv. achterbenen nauw, wijd of tonvormig, hakkeneng of hakkenwijd, enz.) te weinig of overdreven gehoekt.
Voeten:
Spreidtenen.
Gangwerk:
Nauwe beweging, te korte paslengte, te weinig stuwing, slechte rugoverbrenging, steppende gang (hoogdraven).

Vacht:
De vier variëteiten: onvoldoende ondervacht.
Groenendaeler en Tervuerense: haar wollig, gegolfd of gekruld; haar onvoldoende lang.
Mechelaar:
Halflang haar waar het kort zou moeten zijn; gladhaar; ruwe haren tussen het korte haar verspreid; gegolfd haar.
Laekense:
Haar te lang, zijdeachtig, gegolfd, gekroesd of kort; vol met fijn haar, in plukken verspreid tussen het ruwe haar; te lang haar rond de ogen of aan de onderbek; dichtbehaarde staart.

Kleur:
De vier variëteiten: brede, diepe, witte borstvlek ('plastron'); wit op de voeten, dat hoger reikt dan de tenen.
Groenendaeler:
Rosse schijn in de vacht; grijze broek.
Tervuerense:
Grijze kleur.
Tervuerense en Mechelaar:
Stroming; onvoldoende warme tinten; het zwart-gevlamd onvoldoende of overmatig aanwezig of in platen over het lichaam verdeeld; onvoldoende masker.
Tervuerense, Mechelaar en Laekense:
Het vaalros te licht; een zeer verdunde grondkleur,'uitgewassen' genoemd, wordt beschouwd als een zware fout.
Karakter:
Honden met te weinig zelfvertrouwen of die hypernerveus zijn..

Diskwalificerende Fouten:
Karakter:
Agressieve of angstige honden.
Algemeen voorkomen:
Afwezigheid van rastype.
Gebit:
Bovenvoorbeet; ondervoorbeet, zelfs zonder verlies van contact (omgekeerd schaargebit);Kruisgebit; ontbreken van een hoektand (1 C), een scheurkies boven (1 P4) of onder (1 M1),een molaar (1 M1 of 1 M2, uitgenomen M3), een premolaar 3 (1 P3) plus een andere tand, of in totaal drie tanden (uitgenomen de premolaren 1) of meer.
Neusspiegel, lippen, oogleden:
Sterk gedepigmenteerd.
Oren:
Hangend of kunstmatig rechtop gehouden.
Staart:
Afwezig of gekort, vanaf de geboorte of door couperen; te hoog en ringvormig gedragen of opgerold.
Vacht:
Afwezigheid van onderwol.
Kleur:
Alle kleuren die niet overeenstemmen met de beschrijvingen van de variëteiten; te uitgebreide witte aftekeningen op de voorborst, zeker waarneer deze doorlopen tot aan de hals, wit op de voeten, dat hoger reikt dan halfweg de voor of de achtermiddenvoeten en dat sokken vormt, witte vlekken elders dan op de voorborst en op de tenen, afwezigheid van masker, evenals een snuit die lichter gekleurd is dan het geheel van de vacht bij de Tervuerense herder of de Mechelaar (omgekeerd masker).
Schofthoogte:
Buiten de opgelegde grenzen.

N.B.: De reuen moeten twee normale testikels hebben, die volledig in het scrotum zijn ingedaald.

Kruisingen - intervariëteiten paringen:
paringen tussen verschillende variëteiten zijn verboden, behalve in zeer bijzondere gevallen, wanneer toestemming wordt verleend door de bevoegde nationale fokcommissies (tekst 1974, opgesteld te Parijs).

Info Commissie Fokkerij en Exterieur

nvbh logo transDe Commissie Fokkerij en Exterieur bestaat uit de volgende onderdelen:
Commissie Fokkerij, Commissie Gezondheid, Commissie Gedragstest, Commissie Show.

Commissie Fokkerij

* Secretariaat Lisèl Strobl (a.i.) / E-mail: klik hier
* Commissieleden: Ilse Kuiper
* Pupinfo: E-mail: klik hier / telefoon +31 (0) 23 5611 820
* Fokinventarisatie, ZooEasy: Paul Loojiestijn (a.i.) / E-mail: klik hier
* Dek- en geboorteberichten, fokkerszaken, fokkersoverleg E-mail: Lisèl Strobl klik hier
* Budgethouder Fokkerij, Gezondheid en Gedragstest Commissie: E-mail: Paul Loojiestijn klik hier
   rekeningnummer IBAN NL32 RABO 01157.53.362 BIC : RABONL2U

De commissie Fokkerij is fokkers behulpzaam bij het zorgvuldig fokken van het ras de Belgische Herdershonden d.m.v.:
* Het bevorderen van het contact tussen fokkers en liefhebbers van Belgische Herdershonden.
* Het beheren van het fokreglement van de NVBH en toetsen aan het Kynologisch Reglement van de Raad van Beheer.
* De Commissie Fokkerij adviseert het Bestuur NVBH inzake de uit te nodigen keurmeesters voor de Happening (Jonge hondendag) en de Clubmatch.
* Het geven van voorlichting over de aankoop, het houden, fokken en opvoeden van Belgische Herdershonden.
* Het organiseren van fokinventarisatie keuringen.
* Het schriftelijk afhandelen van fokaanvragen en verwerken van dek- en geboorteberichten.
* Het organiseren van een Fokkersbijeenkomsten.
* Het organiseren en in stand houden van telefonische puppyinformatie.
* Het aanleveren van kopij ten behoeve van de verenigingsorganen betreffende de fokkerij.
* Het invoeren van informatie in de Zoo Easy database.
* Het deelnemen aan overleg binnen de georganiseerde kynologie

Jaarlijkse activiteiten van de Commissie Fokkerij
*
Inventarisatiedagen
* Fokkersoverleg
* Primering
* Selectiekeuring tijdens de clubmatch

Commissie Gezondheid

* Secretariaat: E-mail: klik hier
* Populatie onderzoek: Arja Noordhoek, Joke Reugebrink.
* Maagkanker onderzoek werkgroep: Anne-Marie Smolders, dr. Paul Mandigers, drs Sanne Hugen: E-mail: klik hier

De Commissie Gezondheid is de leden behulpzaam bij het in stand houden en verbeteren van het ras de Belgische Herdershonden d.m.v.:
* Door populatieonderzoek achterhalen van gegevens ter verbetering van het ras.
* Het bevorderen van de gezondheid en het welzijn van de tot ons ras behorende honden in het algemeen en het voorkomen en bestrijden van erfelijke gebreken binnen het ras in het bijzonder.
* Het deelnemen aan overleg binnen de georganiseerde kynologie.

Commissie Gedragstest

Inleiding
Zoals de meeste mensen weten is er in Nederland regelmatig een uitgebreide discussie gaande over wat sociaal aanvaardbaar gedrag van honden is. De Raad van Beheer heeft een MAG-test (Maatschappelijk Aanvaardbaar Gedrag) ontwikkeld waarmee dit gedrag getest wordt.
In 2007 is er een onderzoek gestart naar criteria voor hondenrassen met betrekking tot de MAG-test.
Hoewel aan veranderingen onderhevig, bevat deze MAG-test een aantal onderdelen welke voor onze rasvereniging niet wenselijk worden geacht of waarbij een onderdeel op een andere wijze wordt uitgevoerd. Een voorbeeld hiervan is het betasten van de hond tijdens de MAG-test met een kunststof hand. Tijdens de NVBH-test wordt de voorkeur geven aan het normaal benaderen en betasten van de hond.
De gedragstest van de NVBH is wat betreft de uitvoering en normering meer toegespitst op het karakteristieke gedrag van Belgische Herdershonden. Deze test van de NVBH is afgelopen jaren diverse malen geëvalueerd en verfijnd. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat onze bestaande test in grote lijnen goed voldoet, zodat met een aantal kleine veranderingen kon worden volstaan.

Gedragsomschrijving Belgische Herdershonden (samenvatting)
Er bestaat voor de Belgische Herderhond een rasstandaard waar de hond aan dient te voldoen.
De rasstandaard vermeldt, dat de Belgische Herdershond de veredelde erfgenaam is van een werkhondenras. Naast zijn aangeboren geschiktheid als kuddehond heeft hij de waardevolle kwaliteiten van de allerbeste bewaker van zijn eigendom. Zonodig is hij zonder de minste aarzeling de taaie en hardnekkige verdediger van zijn meester.
Als fout vermeldt de standaard onder het kopje “Karakter”: agressief of vreesachtig. Onder diskwalificerende fouten vinden we: niet te benaderen en overdreven agressieve, evenals hypernerveuze honden en bangeriken worden gediskwalificeerd. Bij het keuren zal een kalm, stoutmoedig karakter in aanmerking worden genomen.
De huidige Belgische Herdershond is behalve een gewaardeerde huishond ook zeker nog een werkhond. Er is de hobbymatige vorm van “werken”. Belgische Herdershonden vinden wij in bijna alle takken van de hondensport (gehoorzaamheid, IPO, KNPV, speuren, behendigheid, flyball enz.) en daarnaast hebben vele Belgische Herdershonden nog een praktische gebruikstaak. We vinden ze o.a. terug als douanehond, speurhond, reddingshond, bewakingshond en zelfs als blindengeleidehond. Het betreft hier voornamelijk de Mechelaars. Er is niet alleen wat exterieur betreft een gelijke rasstandaard voor de vier variëteiten, maar ook voor gedrag is er een norm.
Men kan uit het bovenstaande afleiden, dat de Belgische Herderhond een hond is met zeer veel mogelijkheden. Binnen ons steeds drukker wordende maatschappij kan de Belgische Herdershond zijn plaats blijven behouden, zolang wij in ogenschouw nemen, dat zijn temperamentvolle karakter altijd moet samengaan met een stabiele en evenwichtige inborst.

Uitvoering van de gedragstest

Lees verder onder "Fokkerij" > "Hondeninfo" > "Gedragstest"

Subcategories

Pagina Fokkerij >  Gedragstest

 

  Keurmeester: Dhr. P.Jentgen (Lux)  
Groenendaeler Reuen
puppieklasse
1 VB


Jago de Sincfal


V. v.d. Beken
jeugdklasse
1U RCAC
2U

Odin Creole van Lana's Hof
Lambiek du Pacage Vert

G. Fokkens
L. en W. Steenbakkers
openklasse
1U CAC CACIB
2U RCACIB

Kay
Item Marajuyo

J. v. Boxtel
W. en M. Hogenhout
Groenendaeler Teven openklasse
1U CAC CACIB
2U RCAC RCACIB


Nala Yanu du Bois Campine
Original Yazoo of Dark Brightness


A. kuijlaars
A. Gelauf
Laekense Teven
tussenklasse
1UCAC CACIB BOB
2U RCAC RCACIB


Sheperds Dogmate Spijker
Longfields Genesis


J. en H. Jongen
S. de Lange-v.d. Velde
Mechelaar Reuen
jeugdklasse
1U CAC BOB


Joe v.d. Vaardekenshoeve


S. v. Hamme
openklasse
1U RCAC CACIB

Hero Sweet Vulcan

A. Renders
Mechelaar Teven jeugdklasse
1U CAC


Hikari de la Belle Pitou


J. en J. Stalmans
tussenklasse
1ZG

Larca v.h. Groot Wezenland

J. Renders
openklasse
1U RCAC CACIB
2ZG

Ghaliya de la Belle Pitou
Bahrani des Ilis Fidji

M. Hendriks
N. Figoureux
Tervueren Reuen
puppieklasse
1VB


Eljero Razou van 't GroenveldP. Langelaan


N. Meulenbelt & P. Olieman
jeugdklasse
1U beste jeugdreu
2U
3U
4U

Aaron of Sunshinegarden
Gigi du Domaine de la Sure
Jayson di Scottatura
Jarco van 't Herent

A. Gelauf, T. Hendriks
D. Schauls
P. Olieman, N. Meulenbelt
A. Kuijlaars
tussenklasse
1U

Fender the Mystic Angel

E. en R. Verbakel
openklasse
1U CAC CACIB BOB
2U RCACIB
3U
4U
U
U
U

Diëgo de la Prairie de la Sommerau
Perfect Mission of Dark Brightness
Eye Cather the Mystic Angel
Forest van Moned
Fausto van 't Herent
Hayko v.d. Pillendijk
Blue Dodge Nitro van Moned

D. en I. Vanpottalsberghe
A. Labee
E. en R. Verbakel
A. Tempelaars
A. Kuijlaars
J. Gielens en B. Peremans
L. Peeters
veteranenklasse
1U beste veteraan

Amigo of the Home Port

D. en I. Vanpottalsberghe
Tervueren Teven
puppieklasse
1VB beste puppie 2-de erering
2VB
3VB


J'Adore di Scottatura
Nanouk Fenna la Tervura
El Diva van 't Groenveld


P. & J. Rietkerk
A. Althuizen en L. v.d. Broek L. Peeters en R. Huibers
jeugdklasse
1U RCAC
2U
3U
4U
U

Oda Jessie van de Ollandsewerf
Geraya von der Fieldstiege
Speedy Overdose of Dark Brightness
Jules di Scottatura
Juna

J. en H. v.d. Zanden
J. v.d. Linden
A. Gelauf en T. de Vries
D. Leeuw en E. Deen
B. Smolders
openklasse
1U CAC CACIB
2U
3U
4U
U

Esprit du Bois du Tôt
Kishi Emiko la Tervura
Tziganes Allora Bella e Inpossible
Fiona di Scottatura
Anna Belle Danseur de la Riviére

R. Bevers
A. Althuizen
D. Schuurhuis
P. Olieman
E. v. Anrooij